Aandoeningen & behandelingen

Pacemaker implantatieu kunt hiervoor terecht bij Hartcentrum

Een pacemaker is een klein elektronisch apparaat met een chip en een batterij. Dit plaatsen we in het lichaam. De pacemaker controleert continu het hartritme. Hij stuurt een prikkel naar het hart als de eigen prikkelgeleiding onvoldoende is en zorgt er zo voor dat het hartritme goed blijft.

De implantatie van de pacemaker vindt plaats in de hartkatheterisatiekamer. De cardioloog implanteert de pacemaker onder de huid onder het sleutelbeen. De geleidingsdraden van de pacemaker gaan door de bloedvaten naar het hart. De draden geven de elektrische prikkels van het hart door aan de pacemaker. Zo controleert de pacemaker voortdurend of het hartritme goed is.

Waarom een pacemaker?

Het hart trekt samen door een elektrische prikkel. Die prikkel ontstaat in een centrum in de rechterboezem: de sinusknoop. Als de elektrische prikkel verkeerd of te langzaam door het hart loopt, ontstaat een ritmestoornis. Deze kan dan worden gestopt door het implanteren van een pacemaker.
 

Verloop

De behandeling

  • De pacemaker wordt onder de huid onder het sleutelbeen geïmplanteerd. Dit gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving.
  • De cardioloog maakt een klein zakje onder de huid (pocket) waarin hij het apparaat (pulsgenerator) plaatst.
  • Via de sleutelbeenader en de grote holle ader schuift hij de elektrode(n) naar het hart. De elektrode haakt vast aan de binnenzijde van de hartwand met een soort kurkentrekkertje.
  • Soms wordt vooraf in het hartteamoverleg besloten dat de elektrode(n) op het hart vastgemaakt moet worden. Dit gebeurt dan met een minimaal invasieve operatie door de de cardio-thoracaal chirurg.
  • Na afloop controleert de cardioloog of de pacemaker goed werkt. Daarna wordt de pocket met hechtdraad gesloten

Na de behandeling

  • Na de PM-implantatie gaatu één nacht naar de verpleegafdeling Cardiologie.
  • De eerste 12 uur na de behandeling heeft u bedrust en mag u de arm aan de operatiezijde (meestal links) niet belasten. Het is niet nodig om de arm in een draagdoek te doen.
  • De elektroden moeten goed vastgroeien. Daarom mag u de arm aan de operatiezijde de eerste zes weken alleen tot kinhoogte bewegen. U mag niet te veel rekken en strekken met de arm. Ook mag u niet zwaar tillen of zwaar lichamelijk werk doen.
  • Belangrijk is de controle van de wond. Door de bloedverdunners kan een nabloeding ontstaan. U merkt dat aan zwelling en/of het blauw worden van het gebied rondom de wond. Zwelling, roodheid, vocht of pus bij de wond en pijn kunnen wijzen op een infectie. U moet de wond dan altijd laten zien aan een arts.
  • Als de wond na enige dagen goed dicht en droog is, hoeft deze niet meer te worden verbonden. Het is raadzaam de eerste weken de wond nog wel af te dekken tijdens het douchen om te voorkomen dat de wond week wordt.
  • Als u naar huis gaat, mag u niet zelf autorijden, omdat de wond nog rust nodig heeft. U mag de arm aan de operatiezijde de eerste zes weken na de operatie maar beperkt bewegen. Kijk voor meer informatie op de website van de hartstichting.

Vragen & contact

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken? Neem dan contact op met de afdeling Hartcentrum.