Bloedtransfusie : bloed krijgen van een bloeddonor

Bij een operatie, behandeling of ziekte kunt u extra bloed nodig hebben. U krijgt dan een bloedtransfusie. Dit bloed komt van een bloeddonor. Een bloedtransfusie kan nodig zijn om iemand in leven te houden. Uw arts vraagt altijd uw toestemming voor u een bloedtransfusie krijgt. In zeer spoedeisende situaties is dit soms niet mogelijk.

Over een bloedtransfusie

Bij een bloedtransfusie krijgt u extra bloed in uw lichaam. Dit bloed komt van een bloedbank of bloeddonorcentrum.
Het is belangrijk dat het bloed dat u krijgt bij u past. Daarom wordt vooraf uw bloed en het bloed van de donor onderzocht.

Elk jaar krijgen zo’n 250.000 mensen in Nederland een bloedtransfusie met rode bloedcellen, bloedplaatjes of plasma.
Dit zijn bijvoorbeeld patiënten die een grote operatie ondergaan, mensen die voor kanker of bloedziekten worden behandeld of slachtoffers van ongevallen.

Bloed bestaat uit verschillende delen: rode bloedcellen, bloedplasma en bloedplaatjes.
De bloedbank haalt deze verschillende delen van het bloed uit elkaar en bewaart de delen apart.
Welk deel van het bloed u krijgt hangt af van uw klachten.
De arts bespreekt met u welk deel van het bloed u nodig heeft.

Het juiste bloed

Voor een veilige bloedtransfusie is het belangrijk dat het bloed van de donor bij uw lichaam past. Daarom kijkt de arts naar uw bloedgroep en uw rhesusfactor.

  • De bekendste bloedgroepen zijn bloedgroep A, B, AB en O. Door bloed af te nemen en te onderzoeken, weet de arts welke bloedgroep u heeft.
  • De arts bekijkt ook welke rhesusfactor u heeft. U kunt rhesus-D-positief of rhesus-D-negatief bloed hebben.
  • Als de arts weet welke bloedgroep en welke rhesusfactor u heeft, kunt u bloed krijgen dat bij u past. Als u bijvoorbeeld bloedgroep A hebt en u bent rhesus-D-positief, dan krijgt u meestal bloed van een donor die ook bloedgroep A heeft en ook rhesus-D-positief is.

De arts kijkt ook of er in uw bloed afweerstoffen tegen bloedcellen van anderen zitten.

  • Het lichaam maakt afweerstoffen aan tegen alles wat niet bij het lichaam hoort, zoals virussen en bacteriën. Als uw lichaam afweerstoffen aanmaakt door het donorbloed, wordt het donorbloed afgebroken in uw lichaam. Een bloedtransfusie is dan niet zinvol.
  • De afweerstoffen kunnen gemaakt zijn na een zwangerschap of een eerdere bloedtransfusie. Als u afweerstoffen heeft, kan het langer duren om bloed te vinden dat bij u past.
  • Het transfusielaboratorium kan navraag doen bij een landelijk systeem of er eerder afweerstoffen bij u zijn gevonden.

Vlak voordat de verpleegkundige u de bloedtransfusie geeft, controleert de verpleegkundige nog een keer of het bloed van de donor inderdaad voor u is.

Landelijke registratie

Als uw lichaam antistoffen tegen een bloedgroep maakt, is het belangrijk dat zorgverleners dit weten. Bijvoorbeeld als u opnieuw een bloedtransfusie nodig heeft of zwanger wordt.
U krijgt daarom een bloedgroepenkaart met daarop alle belangrijke informatie over de antistoffen. Deze gegevens slaan we ook op in een landelijk systeem dat toegankelijk is voor alle ziekenhuizen in Nederland.
Soms zijn de antistoffen na de bloedtransfusie of zwangerschap niet meer zichtbaar in het bloed.
Draag de bloedgroepenkaart daarom altijd bij u. Vooral als uw naar het buitenland gaat.
Als u niet wilt dat uw gegevens worden opgeslagen in het landelijk systeem, kunt u dit bespreken met uw arts.

Veiligheid van donorbloed

Om te zorgen dat donorbloed veilig is, mogen alleen gezonde mensen bloeddonor worden. Bloeddonoren geven hun bloed vrijwillig. Een bloeddonor krijgt geen geld voor het doneren van bloed.

De bloedbank controleert al het donorbloed op virussen en bacteriën en bespreekt met de donoren hun gezondheid. Wanneer blijkt dat het donorbloed mogelijk besmet is, wordt het vernietigd. Toch is er een kleine kans dat u door donorbloed besmet raakt met een virus of bacterie. Dit komt omdat sommige ziekten niet goed zichtbaar zijn in bepaalde situaties:

  • De bloeddonor is nog maar kort geleden besmet.
  • De hoeveelheid virus in het bloed is heel klein
  • Een ziekte is nog niet bekend of is niet zichtbaar op testen.
  • Er bestaat nog geen test voor de ziekte, zoals bij de ziekte van Creutzfeld-Jakob.

Bijwerkingen van een bloedtransfusie

  • U kunt een allergische reactie krijgen na een bloedtransfusie. U herkent een allergische reactie aan: koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. U kunt medicijnen krijgen om deze klachten te verminderen.
  • Als uw lichaam afweerstoffen tegen het donorbloed aanmaakt, kunt u bij een volgende bloedtransfusie klachten krijgen. Uw lichaam breekt het donorbloed dan af en u kunt koorts krijgen.

Toestemming geven

U krijgt alleen een bloedtransfusie als het echt nodig is.
U kunt alleen een bloedtransfusie krijgen als u toestemming geeft.
De arts bespreekt met u alle informatie die u nodig heeft om te kunnen beslissen of u een bloedtransfusie wilt.

Vaak zijn bloedtransfusies belangrijk om u in leven te houden. Er zijn dan geen andere mogelijkheden.
Sommige operaties en behandelingen kunnen zelfs niet worden uitgevoerd zonder bloedtransfusie.

Als er een spoedeisende situatie is, kunt u een bloedtransfusie krijgen zonder dat u vooraf toestemming hebt gegeven.

Bloedtransfusie weigeren

U mag een bloedtransfusie weigeren. De arts bespreekt met u wat andere opties zijn en welke risico’s u heeft als u de bloedtransfusie weigert.
Heeft u twijfels over een bloedtransfusie? Bespreek uw twijfels dan met uw arts.

Een bloedtransfusie met eigen bloed

In sommige gevallen is een bloedtransfusie met uw eigen bloed mogelijk. Dit heet een autologe transfusie. In de 4 weken voor uw operatie gaat u een aantal keer naar de bloedbank om uw eigen bloed te laten afnemen. Tijdens of na de operatie krijgt u dit bloed weer toegediend.

Voorwaarden voor autologe transfusie

  • U moet gezond zijn en in een goede conditie zijn.
  • Uw bloedvaten moeten geschikt zijn voor meerdere bloedafnames.
  • Uw bloed mag geen ziekten hebben die overgebracht kunnen worden via bloed.
  • De datum van uw operatie moet ruim van tevoren vaststaan.
  • Als uw beenmerg slecht of niet werkt, kunt u geen bloed afstaan. U maakt dan zelf niet genoeg bloed aan voor een bloedtransfusie.

Uw arts bespreekt met u of autologe transfusie mogelijk is.

Als u tijdens de operatie veel bloed verliest, is het mogelijk dat uw eigen transfusiebloed niet voldoende is.
In dat geval krijgt u mogelijk ook bloed van een donor toegediend.
Het is ook mogelijk om in het ziekenhuis bloed te laten afnemen vlak voor de operatie of vlak voor of tijdens de narcose.
Het tekort aan bloed in uw lichaam wordt dan meteen aangevuld met een zoutoplossing.
Tijdens de operatie krijgt u het bloed weer toegediend.

Bij sommige operaties zoals vaatoperaties is het mogelijk dat het bloed dat u verliest met een speciaal apparaat wordt opgezogen.
Hierna krijgt u het bloed weer terug.
De arts bespreekt met u of dit voor u mogelijk is.

Contact

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen? Stel uw vraag aan uw arts of aan de polikliniek van de afdeling waar u onder behandeling bent. Bijvoorbeeld via MijnOLVG of per e-mail. Op werkdagen kunt u ook bellen.

Klinisch chemicus, locatie Oost
020 599 45 95 (op werkdagen van 08.30 tot 16.30 uur)
hkcl‑kwaliteit@olvg.nl

Klinisch chemicus, locatie West
020 510 83 42 (op werkdagen van 08.30 tot 16.30 uur)
klinischlab.info@olvg.nl

De informatie op deze pagina is afkomstig van de afdeling Bloedafname van OLVG. Laatst gewijzigd: