Toegekende subsidies 2022

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek OLVG stelt jaarlijks een bedrag beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek dat in OLVG plaatsvindt. Dit zijn de winnaars van 2022.

Herkennen, verhelpen en voorkomen van voorschrijfcascades in het ziekenhuis; RecOgnize, ADdress and MitigAte Prescribing cascades (ROADMAP-study)

Hoofdaanvrager Atiya Mohammad, promovendus,  Ziekenhuisapotheek

De (inter)nationale literatuur laat zien dat bijwerkingen van medicijnen soms gezien worden als een nieuwe klacht, die dan wordt behandeld met een nieuw geneesmiddel. Dit wordt een voorschrijfcascade genoemd. Een voorschrijfcascade is problematisch wanneer de voordelen van deze combinatie van geneesmiddelen niet opwegen tegen de risico's voor de gezondheid van de patiënt. Dit gebeurt vaak wanneer het geneesmiddel dat aanleiding is voor een voorschrijfcascade (het ‘risicogeneesmiddel’) in het ziekenhuis gestart wordt, maar de bijwerking pas na ziekenhuisontslag ontstaat. Deze wordt dan door een andere zorgverlener als nieuwe klacht behandeld. Zorgverleners kunnen voorschrijfcascades missen vanwege het grote aantal mogelijke voorschrijfcascades met geneesmiddelen, die allemaal weer verschillende bijwerkingen geven en vaak ook op verschillende momenten optreden.

Onze onderzoeksgroep heeft al onderzoek gedaan naar dit innovatieve thema. We hebben kennis opgebouwd met betrekking tot het herkennen en verhelpen van voorschrijfcascades in de eerste lijn. Omdat het starten van medicatie in het ziekenhuis een risicofactor is voor voorschrijfcascades, is het uitermate belangrijk om vervolgonderzoek uit te voeren. Op dit moment is er namelijk weinig inzicht in het ontstaan van voorschrijfcascades in het ziekenhuis en hoe we dit kunnen aanpakken.

Met de verkregen subsidie willen we in kaart brengen welke voorschrijfcascades ontstaan in OLVG en hoe zorgverleners vinden dat deze aangepakt moeten worden. Zo kunnen we gerichte interventies ontwikkelen. Daarnaast willen we samen met voorschrijvers en apothekers de mogelijkheden en belemmeringen verkennen om voorschrijfcascades te herkennen, verhelpen en voorkomen.

Diagnosticeren van positioneel obstructieve slaap apneu: vergelijking van een standaard polysomnografie met een draadloos slaap test systeem – een prospectieve cohort studie

Hoofdaanvrager: Mickey Leentjes, ANIOS/promovenda, KNO

Obstructieve slaap apneu (OSA) is een veel voorkomende aandoening. Patiënten worden vanuit het hele land verwezen naar het slaapcentrum van OLVG voor de diagnostiek en behandeling van OSA. Een groot gedeelte van deze patiënten wordt gediagnosticeerd met positioneel OSA (POSA), wat inhoudt dat de ernst van OSA toeneemt naarmate een patiënt meer op zijn of haar rug slaapt. De gouden standaard voor het aantonen of uitsluiten van OSA is polysomnografie (PSG). Bij een PSG wordt de slaap gemeten door metingen van o.a. de ademhaling, spieractiviteit, lichaamspositie en zuurstofsaturatie van het bloed. Een nadeel van een PSG is het relatieve ongemak van het laten aanbrengen en verwijderen van de elektroden, en het slapen met apparatuur inclusief bedrading aan het lichaam en hoofd. Patiënten vinden hierdoor vaak dat de gemeten slaap niet representatief is voor hun normale slaap. Verschillende studies hebben aangetoond dat het dragen van PSG apparatuur leidt tot een toename van de rugligging tijdens de slaap, waardoor met name bij positionele OSA patiënten de ernst van OSA wordt overschat. Dit kan aanzienlijke gevolgen hebben voor zowel de klinische als de wetenschappelijke praktijk.

Kan de diagnostiek beter? Onze OSA researchgroep denkt van wel. Draadloze meetapparatuur zou voor minder ongemak kunnen zorgen, waardoor de gemeten slaap mogelijk meer representatief zou zijn voor de gewoonlijke slaap(houding). Als we meer representatieve slaap kunnen meten, zijn we in staat om beter(e) zorg op maat aan onze patiënten te verlenen. Dit gaan wij onderzoeken in een prospectieve cohort studie.

De 10 jaar follow-up van de ESCAPE trial: krijgen patiënten met een degeneratieve meniscusscheur meer knieartrose na een knieoperatie of na fysiotherapie?

Hoofdaanvrager: Esther Kret, Wetenschappelijk Onderzoeker, Orthopedie

De ESCAPE trial is één van de grootste orthopedische multicenter Randomized Controlled Trials (RCT’s) waaraan 321 patiënten tussen de 45 en 70 jaar met een degeneratieve meniscusscheur hebben deelgenomen. De 2 jaar follow-up en de 5 jaar follow-up van de ESCAPE trial hebben aangetoond dat fysiotherapie niet minder effectief is dan een meniscusoperatie en dus een goed alternatief is voor een operatie bij deze doelgroep.

Bij het 10 jaar follow-up onderzoek willen we de progressie van knieartrose tussen fysiotherapie en een meniscusoperatie met elkaar vergelijken. Daarvoor gaan we de MRI’s die bij de ESCAPE trial op baseline zijn gemaakt, na 10 jaar herhalen. Zo kunnen we de artrosevorming het beste in kaart brengen. Naast het maken van de MRI’s, gaan we onderzoeken of er een verschil is in kniefunctie, patiënttevredenheid en kwaliteit van leven. Dit meten we met de zogenaamde PROMs vragenlijsten. Deze variabelen zijn ook gemeten tijdens de 2 en 5 jaar follow-up studies van de ESCAPE trial.

3D geprinte modellen van de hartklep voor het verbeteren van de operatieplanning

Hoofdaanvragers: Vera Lagerburg, klinisch fysicus.

 Met deze subsidie willen we onderzoeken of we de operatieplanning voor patiënten met een lekkende hartklep kunnen verbeteren door tijdens de planning gebruik te maken van een 3D print van het hart.

Een veel voorkomende hartaandoening is een lekkende hartklep, oftewel mitralisklep insufficiëntie. De mitralisklep, die zich bevindt tussen de linkerboezem en –kamer, sluit zich dan niet goed. Hierdoor kan het bloed terug stromen. De gouden standaard voor de behandeling van deze aandoening is een operatie met mitralisklep reparatie.

Afgelopen jaren wordt deze operatie steeds vaker minimaal invasief gedaan: de chirurg opereert via een kleine snede tussen de ribben. Om de reparatie op deze manier succesvol te laten verlopen is goede beeldvorming van de hartklep belangrijk. Zo kunnen de afmetingen van de mitralisklep namelijk voor de operatie gemeten worden, wat weer gebruikt wordt voor de aanpak van de operatie. Via de huidige beeldvorming is dit helaas niet altijd goed te bepalen. Hierdoor kan het zijn dat er tijdens de operatie iets aangepast moet worden en het langer duurt. Een voorbeeld is een verkeerde maat ring die geplaatst wordt in de mitralisklep of, in het ergste geval, een overgang van minimaal invasief naar een open operatie.

Bij elke patiënt die in aanmerking komt voor deze operatie wordt standaard een CT (Computer Tomografie) scan gemaakt. Deze CT-scan kan gebruikt worden om een 3D model te maken van de mitralisklep. In dit onderzoek willen we kijken of het mogelijk is om met behulp van een 3D model van de mitralisklep de operatieplanning te verbeteren en daarmee ook de operatietijd te verkorten.

 Scoring van ademstoornissen lijkend op centrale apneus bij tongzenuwstimulatie. Beschrijving van een nieuw slaapfenomeen

Hoofdaanvrager: Meerie Steinbusch, UAS zorgcoördinator, somnotechnoloog, KNF laborant, verpleegkundig consulent, KNO

OLVG is een van de weinige centra in Europa waar meer dan 100 patiënten met obstructief slaappneu (OSA) zijn behandeld met tongzenuwstimulatie middels een Inspire® implantatie. Dit wordt ook wel “upper airway stimulation” (UAS) therapie genoemd. In de grote aantallen slaapregistraties die deze patiënten voor en na implantatie hebben, is ons een niet eerder beschreven fenomeen opgevallen: een ademhalingsstoornis lijkende op een centrale apneu wat uitsluitend in het tweede deel van de nacht optreedt.

Eerder is zogenaamde “treatment emerging central apnea” beschreven tijdens UAS-therapie in enkele kleine studies, maar dit kwam niet uitsluitend in het tweede deel van de nacht voor.

Deze ademhalingsstoornissen kunnen ten onrechte worden gescoord als centrale apneu. Dit zou voor patiënten betekenen dat het werkelijke aantal apneus lager is dan nu uit het slaaponderzoek komt, met als gevolg dat het daadwerkelijke effect van UAS-therapie wordt onderschat.

Wij zijn van mening dat het boven beschreven fenomeen moet worden onderzocht. Het is belangrijk om deze ademhalingsevents te identificeren en op een andere manier te scoren zodat de apneu-hypopneu-index niet onterecht te hoog wordt afgegeven. Dit zou leiden tot een aanpassing van de AASM-richtlijn (American Academy of Sleep Medicine, richtlijnen voor scoring van slaap en slaap gerelateerde events).