Overzicht ervaringsverhalen
Uitgelicht | Woensdag 20 oktober 2021

Freek Muller lag 70 dagen in OLVGik moest eigenlijk best afkicken…

Als headhunter werkte Freek Muller (62) jaren binnen de medische wereld. Deze zomer belandde hij plotseling aan de andere kant van ‘het bureau’, als patiënt. Maar liefst 70 dagen was hij opgenomen in OLVG. Zijn goede en slechte momenten, zijn lof en aanbevelingen deelt hij in dit interview. 

U zou eigenlijk voor 5 dagen naar het ziekenhuis gaan, het werden er 70. Hoe kwam dat?

‘Tijdens een openhartoperatie zouden er 5 bypasses worden aangelegd. Een ingrijpende operatie, maar de artsen in OLVG zeiden: ‘geen zorgen, dat is ons dagelijks werk.’ De operatie duurde uiteindelijk 10,5 uur, waarbij mijn borstbeen doormidden is gezaagd en uiteindelijk met ijzerdraadjes weer aan elkaar vast is gezet. Tot zover ging alles goed. Maar uiteindelijk werd duidelijk dat zich een ontsteking in het borstbeen ontwikkelde, mediastinitis genoemd. En dat is linke soep. Toen uiteindelijk de ontsteking weg was ben ik opnieuw geopereerd en is mijn borstbeen op alternatieve wijze vastgezet. Daarna mocht ik met een mobiel infuus naar huis. Maar niet voordat we met de afdeling taart hadden gegeten, natuurlijk.

70 dagen OLVG: hoe kijkt u daarop terug?

‘Ik heb het best gezellig gevonden. Eerlijk waar. Ik had een eigen kamertje dat door alle kaarten en bloemen steeds meer een huiskamer werd. Ook had mijn vrouw een aantal attributen van huis meegenomen en in de vensterbank gezet: een hert, een hondje en twee modelletjes van Deux Chevau - een rode en een blauwe. Zij gaven aanleiding tot allerlei gesprekken, want iedereen die langskwam had wel iemand in de familie die ooit een lelijke eend had.

Ik houd van praten, dus dat deed ik in het ziekenhuis ook veel. Toen men op de afdeling hoorde dat ik ook psycholoog ben kregen die gesprekken een andere lading; mensen vertelden heel persoonlijke dingen. Daarnaast hebben we veel over het leven gefilosofeerd. Vooral jonge verpleegkundigen kwamen er speciaal voor: dan ging de deur dicht en moest er iets besproken worden.’

U heeft veel inhoudelijke kennis en ideeën over de bedrijfsvoering van een ziekenhuis en maakte nu kennis met de praktijk van alledag op de werkvloer. Wat is u opgevallen?

‘Vooral de bescheidenheid. Als je naar de zorg kijkt zie je dat veel instellingen ontzettend hun best doen om dingen voor elkaar te krijgen, maar dat ze over de resultaten heel bescheiden zijn. In OLVG werken bijvoorbeeld echt topcardiologen en er liggen hier patiënten uit heel het land. Als je zo’n positie in Nederland hebt, mag je dat veel meer uitdragen.

Wat me ook opviel is dat verpleegkundigen veel tijd kwijt zijn aan administratie en dat ik soms meerdere keren dezelfde vragen moest beantwoorden. Ik heb daarom aangedrongen op een investering in de automatisering. Dat ontlast verpleegkundigen en zo ontstaat meer tijd voor echte zorg en het reduceert de kans op fouten.’

70 dagen eten in het ziekenhuis: had u nooit de behoefte om aan uw vrouw te vragen iets lekkers van huis mee te nemen?

‘Absoluut niet! Het eten was buitengewoon lekker. Wie aan ziekenhuiseten denkt, denkt aan een drievaksbord met doorgekookte andijvie, aardappelpuree en een doorgebakken sukadelapje. Maar OLVG doet mee aan FoodforCare: een voedingsconcept van Radboudumc waarbij patiënten 7 keer per dag kleine gerechten krijgen aangeboden. ’s Ochtends begin je met een uitgebreid ontbijtbuffet en rond half 11 krijg je een koek, smoothie en koffie. De lunch bestaat uit verse salade en soep en twee uur later krijg je een wrap of iets anders hartigs. Om 17 uur mag je kiezen uit verschillende gerechten, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat het een multicultureel ziekenhuis is. Ik koos steeds voor de Surinaamse gerechten, want die kende ik niet. Heerlijk. En om 19 uur komen de toetjes. Alles is vers bereid en van goede kwaliteit. Voeding is het beste medicijn en OLVG zou best meer naar buiten mogen brengen dat ze ook op deze manier goed voor de patiënten zorgen.’ 

Viel u nog iets op in het werk van OLVG’ ers?

‘Zeker. De verpleegkundigen zijn de mensen die de persoonlijke zorg en aandacht geven. Dat doen ze echt en welgemeend. Dat is ontroerend. Omdat ik niet goed kon slapen zat ik er regelmatig middenin de nacht doorheen. Dan kwam er een verpleegkundige om een arm om me heen te slaan en mijn hand vast te houden. Ik ben helemaal niet iemand die dat verwacht, dus dat waren echt cadeautjes. Ik heb ook een heel fijn ervaring gehad met een geestelijk verzorger; na wekenlang slecht slapen ging hij naast mijn bed zitten, vertelde een verhaal en ik viel vervolgens in slaap. Het voelde voor mij alsof er iemand over me waakte en voor even de verantwoordelijkheid van me overnam. Heel fijn.’

‘Ik heb aan alle verpleegkundigen en artsen gevraagd waarom ze in OLVG werkten. Daar hadden ze een eenduidig beeld over: de vrijheid, onafhankelijkheid, de verantwoordelijkheid, de sfeer, de mogelijkheid om initiatief te nemen. Maar ook het gebrek aan hiërarchie, de mogelijkheid je te ontwikkelen. ‘Ik reis liever 20 minuten langer dan dat ik in een van die academische fabrieken ga werken.’ Dat vond ik opmerkelijk. 

Uw vrouw reed elke dag vanuit Heemstede naar OLVG om u bij te staan. Hoe heeft zij de zorg ervaren?

‘Over het algemeen heel goed. Ze mocht ook altijd mee-eten en voelde zich, ondanks alle corona-regels, heel welkom. Haar enige punt van kritiek was de communicatie naar haar als partner: er werd impliciet vanuit gegaan dat als de artsen mij iets verteld hadden, dat zij het ook wist. Maar dat was niet altijd zo. Een dagboek dat alle betrokkenen zou kunnen inkijken kan hierbij helpen. Ook voor andere behandelaars. 

En toen kwam de dag dat u naar huis mocht. Opgelucht?

‘Ja en nee. Ik moest eigenlijk best een beetje afkicken. Slapen gaat nog steeds moeilijk, maar hier kan ik mijn echtgenote niet om half 4 ’s nachts wakker maken voor een kop thee. In OLVG liep ik gewoon mijn kamertje uit en kwam ik altijd wel een verpleegkundige tegen om een kletsje mee te maken. Veel mensen die ik spreek denken dat het vreselijk moet zijn geweest om zolang in het ziekenhuis te liggen, maar ik vond het – ondanks mijn vervelende medische situatie - gezellig. Wat me voor altijd zal bijblijven is de arts die me op een zonnige middag in een rolstoel zette en met mij een cappuccino op het terras dronk. De mooie gesprekken, het knisperend schone bed. De aai over mijn bol, de kop extra goede koffie die de verpleegkundigen van een andere afdeling haalden. De washand over mijn rug, de zorg met een glimlach. Afdeling C4, kamer 2: ik had het er goed.’

 

Tekst: Hanna Hilhorst